home contact fondslijst




















































































































































Tekst bij de presentatie van:
Olaf Douwes Dekker infrarood. Breda: Uitgeverij Van Kemenade, 2009.
Zaterdag, 24 januari 2009 


Camiel Hamans


Beste Olaf, goede Hein, dierbare vrienden (van Olaf, Hein of misschien zelfs wel van mijzelf)

Hein en Olaf verdienen vanmiddag een extra en eervolle vermelding. Zij presenteren als uitgever en auteur een nieuw boek. Deze middag heeft daarom een feestelijk karakter en het spijt me dan ook dat ik roet in het eten kom gooien. Gevraagd overigens.

Bij feest hoort vrolijkheid en luchtigheid. Dat lukt mij vandaag niet: het wordt ernst en zwaar op de hand. Want we moeten het gaan hebben over poëzie.

U allen kent, u hebt immers school gegaan om met Multatuli te spreken de ‘Beschouwingen omtrent de waarheidsliefde van iemand die het volgend prul van Heine vóórzegt aan een jong meisje dat in de suite zit te breien.’
Deze beschouwingen beginnen met een citaat:

        “Auf Flügeln des Gesanges,
    Herzliebchen trag ich dich fort,

Herzliebchen? luidt vervolgens het commentaar van de opsteller der Beschouwingen,
Herzliebchen? Marie, [dat is blijkbaar de naam van het jonge meisje dat in de suite zit te breien] Marie, jouw Herzliebchen? Weten je ouwelui daarvan, en Louise Rosemeijer? Is het braaf dit te zeggen aan een kind, dat door zoo-iets al zeer ongehoorzaam zou worden aan hare moeder, door zich in het hoofd te halen dat ze mondig is, omdat men haar: Herzliebchen noemt? Wat beduidt dat: voortdragen op je vleugels? Je hebt geen vleugels, en je gezang ook niet. Probeer ’t eens over de Lauriergracht, die niet eens heel breed is. Maar al had je vleugels, mag je dan zulke dingen voorstellen aan een meisje dat haar belijdenis nog niet gedaan heeft? En al wàs ’t kind aangenomen, wat beduidt dat aanbod van wegvliegen samen? Foei!

    Fort nach den Fluren des Ganges
        Da weiss ich den schönsten Ort;

Ga er dan alleen heen, en huur er een optrek, maar neem niet een meisje mee, dat haar moeder moet helpen in ’t huishouden! Maar je meent het ook niet! Vooreerst heb je nooit den Ganges gezien, en kunt dus niet weten of ’t daar goed leven is. Wil ik je eens zeggen hoe de zaken staan? Het zijn alles leugens, die je alleen dáárom vertelt, omdat je in al dat gevèrs je tot slaaf maakt van maat en rijm. Als de eerste regel geëindigd was op koek, wijn, kina zou je aan Marie gevraagd hebben of ze meeging naar Broek, Berlijn, China, en zo voort. Je ziet dus dat de voorgestelde reisroute niet oprecht gemeend was, en dat alles neerkomt op een laf geklinklank van woorden zonder slot of zin.”

U allen hebt in deze woorden ongetwijfeld onze vaderlijke vriend Batavus Droogstoppel herkend van de firma Last & Co, makelaars in koffij, Lauriergracht No 37 te Amsterdam.
Droogstoppel heeft het niet zo op poëzie dat moge duidelijk zijn uit deze woorden. Gedichten liegen, en niets eens de waarheid zoals Bertus Aafjes schreef, maar die was dan ook zelf dichter van professie.
Volgens Droogstoppel is het alleen maar vanwege metrum en rijm dat dichters zeggen wat ze zeggen. Geestelijk vader van Droogstoppel, Multatuli, is dat met Batavus eens. Wij verhuizen nu van hoofdstuk 10 van de Max Havelaar  naar het begin van het boek en daar is Droogstoppel als buikspreker van Mutatuli nog veel explicieter:

      “Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in ’t gelid zetten, goed! Maar zeg niets, wat niet waar is. “De lucht is guur en ’t is vier uur.” Dit laat ik gelden, als het werkelijk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die mijn woorden niet in gelid zet, zeggen: “de lucht is guur, en ’t is kwartier voor drieën”. De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden, Het moet voor hem  juist, vier, vijf, twee, één uur wezen, of de lucht mag niet guur zijn. Daar gaat hij aan ’t knoeien. Of het weér moet veranderd, óf de tijd. Eén van beiden is dan gelogen. En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid.” En dan gaat Droogstoppel verder met een tirade tegen de schouwburg, die we hier laten zitten.
Het wordt immers tijd om naar van Multatuli naar neef Olaf over te stappen.

Die lijkt het in zijn nieuwe bundel Infrarood eigenlijk behoorlijk eens te zijn met oud-oom Eduard. Olafs bundel bestaat uit drie afdelingen:

    buitengebied
    sociale paragraaf
    alleen maar woorden

Voor wie niet geheel een vreemdeling is in het Jeruzalem van ambtenarij en bestuur zijn de eerste twee aanduidingen meteen herkenbaar. Elke gemeente heeft een la met rapporten over het buitengebied. En elk rapport van enige importantie kent een sociale paragraaf.
Dat de derde afdeling ‘alleen maar woorden’ heet, geeft aan dat Douwes Dekker niet slechts stilstaat bij de realiteit van de ambtelijke plannenmakerij, maar daar zelf een oordeel over durft te vellen. ‘Words, words words,’ zegt Shakespeare en dat betekent hetzelfde als wat Olaf hier als mening presenteert. Zijn verleden als politicus zal hier debet aan zijn.
 
Zijn betrokkenheid op samenleving en maatschappij is overigens niet gestopt sinds hij geen vergaderingen meer bijwoont maar slechts dicht. In het vers ‘Scott ontdekt de bloemen’ (p.24) gaat Douwes Dekker veel verder dan Indië of Heines Ganges. Naar de Zuidpool, waar
       
                    ‘het plastic
        dobbert rond Antartica, nog even en
        de narcissen bloeien aan de zuidpool.

Een waarschuwing vol werkelijkheidszin en die we ons terdege ter harte moeten nemen.

Evident is dat deze bundel niet bedoeld is om leugens te verkopen, maar, conform het familieprogramma, gewoon de waarheid, de werkelijkheid.  En dat lijkt ook wel te kloppen. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘ontkenning’ (pg 15)




        ontkenning

        op hoge poten door het natte gras
        waait een uit koers gestormde albatros
        de boomgaard in, slaat brede vleugels
        uit tot paraplu, zijn trots kent geen twijfel

        beland nu in de moestuin stampt hij als
        olifant door porselein, snuift achteloos in
        slakrop, kool, rabarber, maar de genen
        sturen bij, hij mist het zout – zijn snavel

        stijgt en danst de storm in, balans hangt
        boven zee, spierwit, alwetend wonder
        ‘boomgaard?’ – hij knarst de groene
        luwte uit het logboek, zijn blik spiedt vis

De gedicht voldoet zo op het eerste oog aan alle eisen van oom Ed. Want wat is er nu reëler dan slakrop, kool en rabarber? Geen wonder dat die dan ook geen hoge vlucht genomen hebben in de Nederlandse poëzie, op Dèr Mouw en Rutger Kopland na.
Een albatros in een moestuin klinkt natuurlijk een beetje onwaarschijnlijk, maar het verhaal bevat zoveel details dat het niet anders dan waar kan zijn.
Of zit er misschien toch meer achter?
De dichter kijkt in het hoofd van de vogel en weet wat hij mist. Hij heeft oog voor het logboek van de reis. Gaat deze dichter daarmee toch het boekje van waarheid en werkelijkheid te buiten?

Laten we eens een ander gedicht nemen, nog steeds uit de afdeling ‘buitengebied’. We slaan pagina 23 op:

    als ik maar wist

    als ik maar wist dat de rozen ook
    morgen zullen bloeien, zich niet
    verliezen in de grijze mist

    overleven ze de nacht vannacht
    hun doornen mogen zich niet
    kwetsen aan de pijn van hoop

    druistige knoppen schateren onze
    ogen toe, de rozen zullen bloeien
    alle dagen, zonder ons te sparen
    scherp, maar ongeneeslijk mooi.

Bij deze tekst heb ik, de opdracht van Droogstoppel volgend, toch wel enige bedenkingen. Niet zozeer vanwege de verwijzing naar de betreurde Vlaamse zanger Louis Neefs – zullen we het gebruik van zijn citaat (‘de rozen zullen bloeien’) met een moderne term eenvoudigweg maar samplen noemen of misschien is het de invloed van postmodernisme – maar wel als het gaat over pijn van hoop of over plompe knoppen die schateren; en zijn rozenknopjes wel zo plomp? Waarom noemen we een tepel dan zo graag een rozenknopje?

De werkelijkheid lijkt in dit gedicht toch een beetje in het gedrang te komen. De woorden zeggen misschien meer dan waarnaar ze verwijzen. Is het teveel gedacht dat het hier gaat over schoonheid, verlangen, vergankelijkheid en verdriet?
Rozen die de mensen de baas zijn gaan in deze woorden met de dichter op de loop, maar misschien hebben we toch wel wat aan die gedachte, zeker omdat hij zo mooi geformuleerd, verpakt, is. Schoonheid is er altijd – voor wie ogen heeft natuurlijk – maar ook onbereikbaar en tegelijk stekend, want die schoonheid en die rust bereiken wij nooit. Nou ja, pas op het moment dat de rozen op onze kist belanden.

Deze week is bekend geworden dat Sonja Prins overleden is, de kluizenaarster-dichteres uit Baarle, die op haar kenmerkende parlando toon over de weg naar deze, laatste, kist schreef in

    Tot ook het ik verdwijnt 

    de een wordt suffig en de ander bits
    van ouderdom
    wat kun je er aan doen
    er is een slijtproces
    in mij dat afscheid neemt
    van alles wat mijn jeugd verdroeg
    of meehielp om in stand te houden

    langzaam breekt het verleden af
    en het verdwijnt
    als in de leegte van een stille zaal
    met half licht
    en ook dat licht verdwijnt

    familiebanden waren er
    niet veel
    oud wijkt voor nieuw

    zelfs wat er overbleef
    wordt nevelachtig
    en vervaagt

    tot ook het ik verdwijnt

Olaf Douwes Dekker verdwijnt nog lang niet, integendeel. Met deze bundel beklijft hij. Niets vervagen of nevelachtig worden, hoewel…

                    – er zijn

    woorden om niet te horen, om weg
    te laten, liever vandaag dan morgen, in inkt
    verdronken, achter een stem verborgen.

Dit zijn de laatste regels van het gedicht ‘woorden vullen gaten’ (p.66), uit de derde afdeling van de bundel; precies het tegenovergestelde dus van wat Sonja Prins verwacht.

Deze bundel heet niet voor niets Infrarood. Infrarood fotografie onthult wat niet zichtbaar is. Warmtebronnen, warmte uitstralende objecten kunnen in het donker door infrarood licht gevonden worden. Leven dat in stilte en duisternis verborgen is, wordt onthuld en dat doet Olaf. Zijn woorden, hoe ogenschijnlijk dicht ook bij de werkelijkheid van oud-oom Eduard blijvend, onthullen warmte, waarheid en leven.
Kortom: het gaat hier om een echte dichter in ónze betekenis van het woord. Ook al zou hij alleen Olaf Dekker geheten hebben, of desnoods Olaf Douwes, dan nog waren zijn woorden het werk van een dichter.